Er is geen weg terug...
Het avontuur begint. Daal af in het hart van The Amsterdam Dungeon in de middeleeuwse lift. Hoor de tandwielen tegen elkaar aan slijpen en de kettingen kraken. Maar maak je geen zorgen, de lift valt (bijna) nooit.
Je komt oog in oog te staan met onze sleutelbewaarder. Is dit het begin van je einde!?
Met een (hopelijk werkende) lift laat de sleutelbewaarder je afzakken naar de ondergrondse duisternis. Hoor de tandwielen tegen elkaar aan slijpen en de kettingen kraken…. De vraag is: houden de kettingen jullie gewicht!?
Ga op onderzoek uit als je beneden bent aangekomen. Vergeet niet te genieten van het kermen van de slachtoffers van onze beul. De kans is groot dat jij straks ook zo klinkt!
Boek nu
Historische achtergrond
Onder het Paleis op de Dam bevindt zich een duister gewelf. Hier bevinden zich de voormalige zogenaamde ‘boeijen’, een uitgebreid cellencomplex waar tussen 1655 en 1808 zo’n vijfendertigduizend verdachten en veroordeelden gevangen hebben gezeten. Brandend middelpunt van deze kleine strafkolonie was de zogenaamde ‘pijnkamer’. Hier werden onder marteling bekentenissen afgedwongen. Ook brachten ter dood veroordeelden hier in volstrekte afzondering hun laatste uren door. Er zijn tussen 1655 en 1798 ruim duizend verdachten in deze ruimte gemarteld.
Iemand die verdacht werd van een strafbaar feit in de 17e eeuw werd eerst gehoord door de schout en schepenen in de Schepenkamer van het Paleis op de Dam. Zij waren de officier van justitie en rechters van die tijd. In geval van ernstige misdaden waarbij mogelijk de doodstraf van toepassing was, kon men besluiten een marteling uit te voeren. De doodstraf werd namelijk alleen uitgevoerd indien een verdachte bekend had. Men ging er vanuit dat door marteling de verdachte zich niet meer kon concentreren op zijn leugens en dus wel de waarheid moest vertellen. Aanwezig zijn één van de schepenen, een secretaris om op te tekenen wat de verdachte verklaart, en de knecht van de cipier van de boeijen die het daadwerkelijke martelen doet.
Indien de verdachte had bekend en de doodstraf was uitgesproken, werd een houten stellage tegen het paleis opgebouwd waar de straf werd voltrokken. Dit gebeurde ongeveer drie keer per jaar. De doodstraf kon op verschillende manieren worden uitgevoerd: onthoofding, ophanging, radbraken of verwurging. Dit laatste werd in mei 1664 toegepast op de 18-jarige Elsje Christiaans.